Jan en Piet gaan samen een
eind rijden op de motor. Jan rijdt en Piet zit
achterop. Het is koud en een ouderwetse leren jas
laat de kou tussen de knopen door. Daarom passen
Jan en Piet een trucje toe: de jas achterste
voren aantrekken. En zo gaan ze op weg. Langs
smalle dijkjes, door kleine dorpjes. "Gaat
'ie goed Piet?" vraagt Jan. Piet geeft een
seintje dat alles oké is. Een kwartiertje later
vraagt Jan weer aan Piet of alles oké is.
"Ja, alles oké!" En weer een
kwartiertje later ... verrek, Piet zit niet meer
achterop. Zeker van de motor afgevallen. Dus Jan
keert zijn motor en rijdt snel terug. In het
eerste dorp is niets te zien. In het tweede ook
niet, maar in het derde dorp staat een hele drom
mensen. Jan zet zijn motor neer en loopt naar de
mensen. Hij vraagt: "Ligt mijn maat
hier?" "Ja." "Hoe gaat het
met hem?" Een grote kerel, de smit van het
dorp, staat op en zegt: "Zo net ging het nog
wel goed met hem. Maar toen heb ik zijn kop
rechtgezet en nou zegt 'ie niks meer."
|
|